De magistraat van Hattem verpachtte jaarlijks de accijnzen, belastingen zoals het weggeld en de stedelijke eigendommen alsmede het ambt van waagmeester aan de meest biedende. Ook verpachtte de magistraat voor meerdere jaren huizen, hoven, plaatsen, gronden en de wallen. De pachtperiode was meestal drie jaar, maar in sommige gevallen wel achttien jaar. Met de pachters werden allerlei afspraken gemaakt, zoals het recht om op een hof of plaats een huis, stal enzovoorts te timmeren. Ook waren er bepalingen over het onderhoud van al bestaande gebouwen en/of huizen. Menige pacht werd na de expiratie verlengd.
Het register is waarschijnlijk later aangelegd, want de akten zijn niet geheel chronologisch ingeschreven. De transcriptie is een uittreksel van de verpachtingen van de accijnzen en domeinen (A-K), daarna volgen de verpachtingen van een aantal landerijen (L-S) en tot slot die van de huizen, hoven enzovoorts.